Gedicht

Dit gedicht heeft ten tijde van het begraven van de stadsmuur in de krant gestaan.

 

Men noemt je een dorpje,
Toch ben je een stad.
Voor hen, die er wonen,
Een enorme schat.
Een stadje met straten,
Met stegen, zelfs met een plein.
Waar het leven zo goed is,
zo rustig, zo fijn.

Nu wordt je een dorpje,
Eens was je een stad;
Het gaat om de centjes,
Wat jammer is dat.
‘t Herstel van de stadsmuur,
O, wat een verdriet,
Is niet te batalen,
Het kan helaas niet.

Een gracht zonder water,
dat is er geen gracht.
De grond moet er uit
Heeft men heel wijs gedacht.
Met de grond die er uit komt
Bedekt men ‘t verleden:
Zo wordt er ons stadje
Het dorpje van heden.

Een muur om te klagen
Die hebben wij niet.
Zoals men in ‘t oude
Jeruzalem ziet.
Maar een wal, die ons aanklaagt,
Die zal er dan zijn.
Wat zijn wij toch arm,
Of zijn wij zo klein?

‘t Verleden en ‘t heden,
O hoor, och! en kijk!
Toen was men zo arm,
Nu zijn wij zo rijk.
Wat in tientallen jaren
Met vlijt werd gebouwd,
Wordt in enkele maanden
Er onder gedouwd.

Mijn stad of mijn dorpje,
Of wat je mag zijn,
Het maakt me verdrietig,
Het doet ergens pijn.
Wat eer eens was,
Wat is of wat komt,
Toch blijf je het plekje,
Waar mijn wiegje eens stond.
K